Sinds een uitspraak van de Raad van State in 2021 gelden er voor windparken van drie windturbines of meer geen landelijke milieunormen meer. In afwachting van nieuwe landelijke milieuregels voor windparken - op zijn vroegst per 1 januari 2027 - mogen overheden wél eigen, lokale normen opstellen, als die tenminste, aldus de Raad van State, een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de locatie toegesneden motivering hebben. Provincie Noord-Holland pakte die handschoen graag op, toen een vergunningaanvraag binnenkwam voor uitbreiding van een windpark op bedrijventerrein Boekelermeer, ten zuiden van Alkmaar. ‘Als bevoegd gezag móet je een beslissing nemen op een vergunningaanvraag’, zegt René van der Linden, beleidsadviseur Wind op Land bij de provincie. ‘Niet beslissen omdat er geen normen zijn, is geen optie. Bovendien draagt de uitbreiding van het windpark bij aan het halen van onze RES-doelstellingen.’ De nieuwe windturbine wordt onderdeel van een bestaand windpark van vier turbines. De eigenaren - onder andere Sortiva, een onderdeel van afvalverbrander HVC - gaan de opgewekte duurzame stroom op het bedrijventerrein ‘achter de meter’ gebruiken, wat gunstig is met het oog op netcongestie.
.jpeg)
Belang opwek duurzame energie afwegen tegen hinder omgeving
Het opstellen van eigen milieunormen was nieuw voor de provincie, zegt Simon Pieksma, vergunningverlener bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, die namens de provincie verantwoordelijk is voor het besluiten op aanvragen van omgevingsvergunningen voor windturbines. Samen met Thijs de Boer, geluidsadviseur bij de Omgevingsdienst, ging hij aan de slag met het opstellen van de lokale normen voor het windpark. ‘In de kern’, zegt Simon, ‘weeg je steeds het belang van de duurzaam opgewekte stroom af tegen de hinder die de opwek voor de omgeving oplevert.’ De Omgevingsdienst baseerde zich daarbij onder meer op de oude landelijke normen, aangevuld met nieuwe inzichten. Ook maakten zij gebruik van de informatie van de initiatiefnemers in de aanvraag over te verwachten milieueffecten.
Externe veiligheid: aansluiten bij bestaande normen
Een van de onderwerpen waarop overheden sinds de uitspraak van de Raad van State eigen normen moeten opstellen is externe veiligheid: het beheersen van de risico’s van windturbines - bijvoorbeeld door het breken van een blad of de mast van de turbine - voor de omgeving. ‘Over de norm voor externe veiligheid ontstond weinig discussie’, aldus Simon ‘We konden hier aansluiten bij de geaccepteerde norm voor andere bedrijfsactiviteiten. Dat betekent de norm PR 10-6: een Plaatsgebonden Risico van 10-6 per jaar, oftewel: het overlijdensrisico door een ongeval met een windturbine is in een zone rond de locatie maximaal één op de miljoen per jaar. Kwetsbare gebouwen, zoals woningen of scholen, moeten buiten deze zone liggen. Dat is het geval bij dit windpark.’
Slagschaduw: strenger dan landelijke norm
De volgende norm waarmee de Omgevingsdienst aan de slag ging, is die voor slagschaduw: de bewegende schaduw van de draaiende bladen van een windturbine op de omgeving als de zon schijnt. ‘Voor de woningen in de buurt gold voor de bestaande turbines de oude landelijke norm, namelijk dat de turbines moeten worden afgeschakeld als er gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten slagschaduw kan optreden’, legt Simon uit. De Omgevingsdienst onderzocht hoeveel meer slagschaduw er zou optreden door de extra turbine, hoeveel stilstand daarvoor nodig zou zijn, en hoeveel derving van duurzame energie dat met zich mee zou brengen. ‘We kwamen tot de conclusie dat we voor de nieuwe turbine een strengere norm konden hanteren dan de oude, namelijk near to zero, oftewel bijna nul. Daardoor ondervindt de omgeving geen extra hinder van de nieuwe turbine, bij relatief weinig energieverlies.’
Geluid: bestaande turbines ook meenemen
De meest complexe norm was die voor geluid, vertelt Thijs. ‘De geluidsnorm geldt voor het hele windpark’, zegt hij. ‘We moesten bij het bepalen van de nieuwe norm dus het geluid meenemen dat de bestaande turbines veroorzaken, en daarbovenop onderzoeken wat het extra effect van de nieuwe turbine zal zijn.’ De geluidsbelasting wordt gemeten in het gemiddelde geluidsniveau in decibel (dB) gedurende een etmaal (Lden) en de nacht (Lnight). ‘Voor windturbines wordt vaak maximaal 45 dB Lden aangehouden’, zegt Thijs. ‘Wij zijn uitgekomen op 46 dB Lden. Het extra effect daarvan op de omgeving vergeleken bij 45 Lden stond niet in verhouding tot het daarmee gepaard gaande energieopbrengstverlies. Daarom achtten wij een maximaal niveau van 46 dB Lden verantwoord.’ Bovendien hebben de omliggende woningen, vanwege het industrieterrein én een drukke weg in de buurt, al te maken met een vrij hoge geluidsbelasting die het geluid van de turbines overdag maskeert. Thijs: ‘Tijdens de nacht is er minder ander geluid, vandaar dat we voor de nacht hebben gekozen voor de relatief strenge norm van 39 dB.’ Daarnaast bevat de vergunning aanvullende voorschriften voor specifieke vormen van geluid, zoals tonaal en laagfrequent geluid.
Contact met de omgeving
Nadat de Omgevingsdienst de nieuwe normen, in samenwerking met de provincie, had opgesteld, lag een concept van de normen ter inzage en kon de omgeving zienswijzen indienen. Er kwamen twee zienswijzen binnen. Na overleg met de betrokkenen konden de geuite zorgen – onder andere over gehanteerde definities – worden weggenomen en zijn de aangedragen punten verwerkt. ‘Verdere participatie vanuit de omgeving hangt sterk af van de situatie’, zegt René. ‘Omdat het in dit geval om uitbreiding van een bestaand windpark gaat, waarvoor de initiatiefnemer al een participatietraject uitvoerde, en waar relatief weinig omwonenden zijn, hebben wij de omgeving voornamelijk betrokken via de terinzagelegging.’ De vergunning werd in november 2025 definitief. Intussen bereiden de initiatiefnemers de bouw van de turbine voor.
Maatwerk waar alle partijen baat bij kunnen hebben
Welke tips hebben René, Simon en Thijs voor andere provincies of gemeenten die overwegen lokale windnormen op te stellen? ‘Ga in een vroeg stadium in overleg met betrokkenen, of het nu gaat om nieuwe turbines of om uitbreiding van een bestaand park’, zegt Thijs. ‘Wij hadden te maken met een windpark met meerdere eigenaren. Omdat er maar één model voor lokale normen bestaat, moesten we de bestaande turbines daarin meenemen, waardoor vroegtijdig contact met alle eigenaren belangrijk was.’ René raadt overheden aan om goed na te denken over de rol als vergunningverlener. ‘Als bevoegd gezag beoordeel je de vergunningaanvraag en maak en toets je ook de normen. Om te voorkomen dat je als slager je eigen vlees keurt, hebben wij ons als provincie zo weinig mogelijk bemoeid met de onderbouwing van de normen door de Omgevingsdienst.’ Houd er ook rekening mee dat het opstellen van normen tijd kost, adviseert Simon. ‘Het hele proces kost al snel meer dan een jaar, zeker als je ook een m.e.r.-procedure uitvoert.’ Volgens René is het, zolang er nog geen nieuwe landelijke normen zijn, alleszins de moeite waard om eraan te beginnen. ‘Het vaststellen van de normen kan parallel lopen aan de rest van het proces dat nodig is om een windpark te ontwikkelen, het hoeft niet veel extra tijd te kosten.’ Hij benadrukt dat het zelf vaststellen van normen kansen biedt, voor initiatiefnemers én voor de omgeving. ‘De norm voor slagschaduw is in ons geval strenger dan de landelijke. Dat is gunstig voor de omwonenden. En initiatiefnemers willen ook vaak best meer doen dan wat landelijke normen vragen. Het vaststellen van lokale normen is maatwerk, waar alle partijen baat bij kunnen hebben!’
Meer informatie:
Themapagina over lokale normen
Terugkijken: online kennissessie lokale normen wind op land (met o.a. presentatie casus Boekelermeer)