Vraag & antwoord

Hier vind je per thema veelgestelde vragen en antwoorden.

Heb je een andere vraag? Stel hem dan gerust via het contactformulier. We zorgen dat je vraag beantwoord wordt. We werken daarbij samen met een team van experts vanuit de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkdienst voor Ondernemend Nederland, Nationaal Programma RES, Interprovinciaal Overleg en Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Vragen die specifiek gaan over de landelijke m.e.r.-procedure of de landelijke algemene milieuregels, worden beantwoord door IPLO, het landelijke kenniscentrum voor wet- en regelgeving binnen het omgevingsdomein.

Het Nevele-arrest is een uitspraak van het Europese Hof van Justitie in een zaak over een Vlaams windpark. Die uitspraak is gevolgd door de Raad van State en heeft gevolgen voor windparken in Nederland. In Nederland hanteerden we landelijk vastgestelde milieuregels voor windparken. Net als bij het Nevele-arrest, oordeelde de Raad van State in juni 2021 dat die landelijk vastgestelde algemene milieuregels niet geldend zijn. Er had een uitgebreid milieuonderzoek (plan-m.e.r.) moeten plaatsvinden voor deze landelijke regels. Dat is niet gebeurd. Zolang die milieubeoordeling niet is gemaakt, mogen overheden voor windparken geen besluiten nemen op basis van die landelijke milieuregels uit het toenmalige Activiteitenbesluit. Provincies en gemeenten kunnen wel eigen milieunormen toepassen. Die regels moeten dan wel zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering.

De plan-m.e.r.  gaat over het in beeld brengen van de milieugevolgen zodat deze kunnen worden meegenomen in de besluitvorming. In het plan-milieueffectrapport worden de milieugevolgen van de activiteit (in dit geval het windturbinepark) en de reële alternatieven hiervoor systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. Ook worden daarin maatregelen beschreven om negatieve gevolgen op het milieu te voorkomen of te beperken. Het is dus niet alleen een juridisch vraagstuk, maar het geeft ook inzicht in het beschermingsniveau dat je wilt bieden met het stellen van algemene milieuregels. Het is dus zeker ook een politiek-bestuurlijk vraagstuk, waarbij het bevoegd gezag (gemeente of provincie) een zorgvuldige afweging maakt op basis van de plan-m.e.r. Ook in de toekomst kan een gemeente of provincie tijdens die afweging besluiten af te wijken van de landelijk vastgestelde normen, als daar maar een gedegen motivering onder ligt.  

Nee, er kunnen nog steeds nieuwe windparken worden vergund. Dat blijkt ook uit de uitspraak van de Raad van State. Provincies of gemeenten moeten voor nieuwe windturbineparken een eigen afweging maken over welk milieubeschermingsniveau zij aanvaardbaar achten. Die normen moeten dan zijn toegesneden op de locatie van het windpark. Lees meer.

Ja, vergunningen waar niet meer tegen in bezwaar of beroep kan worden gegaan, blijven gewoon geldig. De uitspraak van de Raad van State geeft geen juridische grondslag om onherroepelijk verleende vergunningen in te trekken. Sinds 1 juli vervangt een overbruggingsregeling voor bestaande windmolens de niet meer geldende landelijke milieuregels. Deze overbruggingsregeling heeft dezelfde milieubescherming als de niet meer geldende milieuregels. Lees meer

Ja, bestaande windturbineparken mogen blijven draaien. Verleende omgevingsvergunningen blijven geldig en hoeven niet te worden ingetrokken. Daar is geen juridische grondslag voor. 

Nee, de uitspraak geldt alleen voor windparken met drie of meer windturbines. Voor één of twee losstaande windmolens kunnen nog steeds de algemene milieunormen uit het toenmalige Activiteitenbesluit (nu het BAL) toegepast worden. Deze vallen namelijk niet onder de m.e.r.-regeling.

Een bestaand windpark dat wordt uitgebreid met 1 of 2 turbines is een uitbreiding van het windpark en valt dus onder de m.e.r.-regelgeving. Er kan niet worden aangesloten bij de landelijke milieunormen van het Activiteitenbesluit (nu het BAL). Sinds 1 juli 2022 vervangt een overbruggingsregeling voor bestaande windmolens de niet meer geldende landelijke milieuregels. Deze overbruggingsregeling heeft dezelfde milieubescherming als de niet meer geldende milieuregels. Lees meer

Provincies en gemeenten kunnen bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (voor afwijken bestemmingsplan) tijdens de procedure wijzigen of aanvullen. Zij kunnen dus een eigen afweging maken over welke milieubeschermingsniveau zij aanvaardbaar achten. Die normen moeten dan zijn toegesneden op de locatie van het windpark. Lees meer of bekijk de praktijkvoorbeelden van eigen normeringen.

Ja, de uitspraak heeft geen directe gevolgen voor de zoekgebieden wind. De zoekgebieden waar nog geen nadere invulling naar locatie heeft plaatsgevonden en waar dus ook nog geen op het toenmalige Activiteitenbesluit gebaseerde milieuregels voor zijn opgenomen, kunnen gewoon verder onderzocht worden. Om vertragingen in de zoektocht naar geschikte locaties te voorkomen, raden wij aan die zoektocht gewoon voort te zetten. Dan is er ook ruimte om bijvoorbeeld inwoners uitgebreid te betrekken. Tegen de tijd dat er voor eventuele locaties milieuregels nodig zijn, kan de provincie of gemeente besluiten om voor deze locaties eigen lokale milieunormen toe te passen. Als de landelijke plan-m.e.r. is uitgevoerd en nieuwe milieuregels zijn vastgesteld, kan er ook voor gekozen worden om de nieuwe landelijk vastgestelde milieuregels toe te passen.

De Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Binnenlandse Zaken analyseren op dit moment de mogelijke effecten voor algemene regels voor andere activiteiten.

De overbruggingsregeling trad op 1 juli 2022 in werking en bevat tijdelijke milieuregels voor bestaande windturbineparken, met dezelfde milieubescherming als de buiten toepassing verklaarde algemene regels voor windturbines in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. De overbruggingsregeling geldt dus alleen voor bestaande windparken: windparken met drie of meer windturbines die op 30 juni 2021, de datum van de Nevele-uitspraak, een onherroepelijk verleende vergunning hadden. 

Als een vergunning voor een windpark nieuw wordt verleend, een vergunning wordt gewijzigd of er wordt een maatwerkvoorschrift bij besluit opgenomen, dan geldt de overbruggingsregeling niet meer (omdat anders alsnog strijd met de Europese regelgeving zou ontstaan). Als er wel maatwerk mogelijk zou zijn, dan zou het oordelen hierover neerkomen op een eigen beoordeling met andere lokale normen. Met een lokale beoordeling van maatwerk creëer je als het ware een nieuwe situatie. Besluiten met maatwerkvoorschriften, vastgesteld op uiterlijk 30 juni 2022, dus vóór de inwerkingtreding van de overbruggingsregeling, blijven wel geldig.
Maatwerkvoorschriften kunnen dus niet gebaseerd worden op de regels van de toenmalige Activiteitenregeling en het toenmalige Activiteitenbesluit (nu het BAL) die zijn opgenomen in de overbruggingsregeling die per 1 juli 2022 geldt. Er moet dan een op zichzelf staand besluit worden genomen dat zelfstandig wordt onderbouwd en locatiespecifiek is.

In de SDE-regeling is de mogelijkheid opgenomen dat, onder bepaalde voorwaarden, maximaal een jaar uitstel kan worden aangevraagd bij RVO. Zo moet de reden van uitstel buiten de invloedsfeer van de initiatiefnemer liggen en moet worden aangetoond dat het project voldoende voortgang laat zien, zodat het binnen dat extra jaar operationeel kan zijn.
Vier jaar na afgifte van de SDE-beschikking gaat de teller wel lopen. Als het project nog niet operationeel is, gaat dit ten koste van de mogelijkheid om in het 16e jaar aanspraak te kunnen maken op subsidie voor misgelopen productie binnen de 15 jaar waar de SDE-subsidie betrekking op heeft.

Voor het verstrekken van SDE-subsidie gelden strenge eisen die, met goedkeuring van de Europese Commissie, zijn vastgelegd in regelgeving. Die strenge eisen zijn er onder andere om staatssteun te voorkomen. Deze regels kunnen niet zomaar worden aangepast.

Nee, dat hoeft niet. Volgens de Raad van State is de totstandkoming van de rijksregels voor windturbineparken niet goed gegaan. Voor de vergunningen zelf is veelal een eigen milieueffectrapport (MER) gemaakt. Er is geen juridische grondslag om deze onherroepelijke vergunningen in te trekken. Sinds 1 juli vervangt een overbruggingsregeling voor bestaande windmolens de niet meer geldende landelijke milieuregels. Deze overbruggingsregeling heeft dezelfde milieubescherming als de niet meer geldende milieuregels. Lees meer

 

Ja dat mag, in elk geval tot het inwerkingtreden van de nieuwe landelijk milieunormen. Het mocht al in het bestemmingsplan en in de omgevingsvergunning milieu of maatwerkvoorschriften voor windparken, omdat de regels uit het Activiteitenbesluit niet meer mogen worden toegepast. Die normen moeten dan wel zijn toegesneden op de locatie van het windpark. Lees meer.

Daarmee wordt bedoeld dat het bevoegd gezag (provincie of gemeente) ) zelf moet beoordelen en motiveren wat men voor het betreffende windpark - en gelet op de omgeving - een aanvaardbaar hinderniveau vindt. En wel op basis van eigen onderzoek, bijvoorbeeld naar geluidhinder, en gericht op de specifieke locatie zelf. Lees meer.

Er is een aantal voorbeelden van zelf opgestelde normen door gemeenten waarvan de rechter heeft gezegd dat deze voldoen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 12 april 2023 dat dit voor de twee windparken Delfzijl Zuid Uitbreiding en Karolinapolder het geval is. Deze windparken mogen worden gebouwd.

De manier waarop bij deze twee windparken de lokale normen zijn opgesteld, kunnen als voorbeeld dienen in andere gevallen waar gekozen wordt om eigen lokale normen op te stellen. Hier lees je meer over de gevolgen van deze uitspraken.

 

In het milieueffectrapport worden de milieugevolgen van het initiatief of de activiteit en reële alternatieven hiervoor systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. Ook worden daarin maatregelen beschreven om negatieve gevolgen op het milieu te voorkomen of te beperken. Het is dus niet zo dat in een MER normen worden vastgesteld. Dat is niet de bedoeling van een m.e.r.-procedure. Met een m.e.r. wordt onderzoek gedaan naar verschillende mogelijkheden en scenario’s van normen en de milieueffecten daarvan op de leefomgeving. Deze opties staan in het MER met een toelichting en onderlinge afweging op verschillende aspecten. Het bevoegd gezag gebruikt het MER om de afweging te maken en tot een besluit te komen.

Dat hangt af van het besluit. Voor een bestemmingplan dat voorziet in een windpark moet je een plan-m.e.r. maken, voor een omgevingsvergunning milieu een (project)m.e.r. De zelf gekozen normen kunnen daarin aan de orde komen.

Ja, er is al door een aantal decentrale overheden gewerkt aan eigen normeringen. Wij delen deze eigen normeringen zoveel mogelijk via de Praktijkvoorbeelden op deze helpdesk. Tijdens de kenniswerkgroepen bespreken we een aantal van deze cases om van elkaar te leren en ervaringen uit te wisselen.

Als er geen (plan-)m.e.r. verplicht is, kun je volgens dezelfde systematiek die je zou hanteren in een m.e.r.-procedure de effecten van een bandbreedte aan mogelijke normen onderzoeken en volgens bepaalde criteria met elkaar vergelijken. Dit kan een basis vormen voor de afweging naar gewenste normen door het bevoegd gezag.

Ja, er zijn voorbeelden van zelf opgestelde milieunormen door gemeenten, waarvan de rechter (Raad van State) heeft gezegd dat ze voldoen. Lees meer.

Nee, er kunnen nog steeds eigen, lokale milieunormen opgesteld worden. De motie Leijten-Erkens is door de Tweede Kamer aangenomen vanuit de zorg dat een locatie-specifieke beoordeling om te komen tot milieubescherming bij windturbineparken door gemeenten en provincies leidt tot grote verschillen tussen regio's. De motie Leijten-Erkens verzoekt de regering om met gemeenten, provincies en RES-regio’s afspraken te maken over de te hanteren uitgangspunten voor de plaatsing van nieuwe windturbineparken. Het Rijk heeft gesprekken gevoerd met  IPO, VNG en de RES-regio’s over de mogelijkheden voor die (algemene) uitgangspunten voor de besluitvorming over nieuwe windparken. De minister heeft begin juli 2022 aangegeven dat het juridisch niet mogelijk is om (vooruitlopend op de plan-m.e.r. en AMvB-procedure om te komen tot nieuwe, landelijke milieunormen) als Rijk algemene regels op te leggen voor nieuw te realiseren windparken zonder een plan-m.e.r. uit te voeren. Dit kan ook niet tijdelijk. En ook het maken van afspraken met decentrale overheden over te hanteren regels is niet mogelijk. Lees meer.

Voor de windparken Delfzijl Zuid en Karolinapolder zijn, n.a.v. de uitspraak van 30 juni 2021, lokale milieunormen vastgesteld. De normen moeten een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering hebben. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 12 april 2023 dat dit voor deze twee windparken het geval is. De windparken mogen worden gebouwd. De manier waarop bij deze twee windparken de lokale normen zijn opgesteld, kunnen als voorbeeld dienen in andere gevallen waar gekozen wordt om eigen lokale normen op te stellen. Hier lees je meer over lokale milieunormen

Sinds de Nevele-uitspraak is of wordt, volgens onze informatie, voor circa 20 windparken op land gewerkt aan lokale normen (status: juli 2023). Voor ongeveer de helft hiervan is een vergunning afgegeven. Het kan zijn dat meer gemeenten met lokale normering (willen gaan) werken en dat we daar nog geen zicht op hebben. 

De Raad van State beschouwt iedereen die woont binnen een afstand van 10 x tiphoogte en gevolgen van enige betekenis van de windmolen(s) kan ondervinden als belanghebbende.

Provinciale regels die de algemene rijksregels vervangen lijken geen oplossing te bieden, omdat voor die provinciale milieuregels ook een plan-m.e.r. uitgevoerd dient te worden.  

Dat is een beleidsmatige en lokale afweging, gebruik makend van objectieve gegevens en wetenschappelijke informatie over bijvoorbeeld dosis-effectrelaties. Dat kan het lokale bevoegde gezag vervolgens afwegen ten opzichte van andere lokale belangen. Het gaat er met name om dat aan de te stellen lokale normen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en dat de normstelling wordt gemotiveerd.

Financiële ondersteuning wordt niet verleend. De Helpdesk Wind op Land ondersteunt decentrale overheden wel met kennisdeling via deze website en bijeenkomsten. Ook is een team samengesteld van juristen en beleidsmedewerkers van de ministeries van I&W, BZK, EZK en specialisten van IPLO, van RWS en NP RES en RVO. Zo is het mogelijk om kortstondig gebruik te maken van experts of sprekers

Dit is een afweging die op lokaal niveau gemaakt moet worden. De energieopgave is niet het doel van milieuregels, maar het is ook niet de bedoeling het doel te frustreren. Als overheid willen we een goed beschermingsniveau geven en tegelijkertijd is er ook de energieopgave. In het algemeen kunnen we zeggen dat het zinvol is niet af te wachten en eigen, lokale milieunormen (of ook wel voorschriften in de vergunning) op te stellen voor een windpark. Daar zijn meerdere redenen voor:

  • Daarmee kunnen projecten doorgang vinden;
  • Er dient tijdig en binnen de daarvoor geldende procedures besloten te worden op een vergunningaanvraag voor een windpark;
  • Het lokale bevoegde gezag heeft de kans en de verplichting die vergunningsvoorschriften te voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Daarmee zorgt het bevoegde gezag ervoor dat het milieu inclusief omwonenden beschermd worden én dat alle partijen rechtszekerheid geboden wordt. De motivering dient daarbij ook gebaseerd te worden op de actuele (wetenschappelijke) inzichten en op (beleids)uitgangspunten omtrent het milieubeschermingsniveau. 

Het parlement (de Eerste en Tweede Kamer) gaat beslissen over de nieuwe landelijke milieunormen. Voor het proces: zie https://www.platformparticipatie.nl/windturbinesleefomgeving/default.aspx

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft sinds 2021 gewerkt aan een plan-m.e.r. en een concept-AMvB. Het verrichten van de benodigde onderzoeken, de inspraakprocedures, het inwinnen van advies en het wetgevingstraject zelf vormen een uitgebreide procedure. Daarbij maken de invoering van de omgevingswet per januari 2024 en de val van het kabinet het proces extra complex. Op 12 oktober 2023 zijn de concept-Plan-MER en de concept-AMvB ('Besluit windturbines leefomgeving') voor de nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines gepubliceerd en ter inzage gelegd. Lees hier meer over het proces en de planning.

Ja, op verschillende onderdelen zijn de normen strenger. Maar ze bieden op bepaalde aspecten mogelijkheden om binnen bandbreedten eigen afwegingen te maken. Zie het overzicht op deze pagina.

Als uitvoering van een motie uit de Tweede Kamer is er onderzoek gedaan naar de normen in een aantal andere landen, waaronder de in verschillende landen gehanteerde afstandsnormen en de eventuele relatie met gezondheidseffecten.  In de kamerbrief van 21 april 2022 heeft de minister voor Klimaat en Energie het onderzoek naar de effecten van verschillende afstandsnormen en de voor- en nadelen van een afstandsnorm als instrument voor de inpassing van windturbines aangeboden aan de Kamer. De uitkomsten van dit onderzoek zijn meegenomen in het landelijke plan-MER. 

Met de invoering van een afstandsnorm wordt invulling gegeven aan de afspraak uit het coalitieakkoord van Rutte IV: “Er komen heldere afstandsnormen voor de bouw van windmolens op land”. Daarnaast staat in de nota van toelichting (paragraaf 9.2) dat een afstandsnorm is bedoeld om omwonenden een waarborg te bieden dat zij binnen een bepaalde afstand van hun woning geen windturbine hoeven te verwachten.

In de concept-normen is een voorstel voor afstandsnormen opgenomen. Zie hier.

Ja. In lijn met de Omgevingswet wordt er in de concept-normen ruimte geboden om op bepaalde aspecten binnen bandbreedtes eigen afwegingen te maken. 

De nieuwe landelijke concept-normen zijn op een aantal aspecten inderdaad strenger dan de oude normen of dan wat er op sommige plaatsen lokaal is vastgesteld.

Als de definitieve normen ook strenger worden, dan wordt onderzocht of overgangsrecht nodig is.

Als windturbines al op basis van lokale normen zijn vergund, dan blijven deze vergunningen in stand totdat de windturbines worden vervangen. Dat geldt ook als er afstandsnormen komen voor windparken.

Lees hier meer

De afweging of overgangsrecht nodig is, maakt standaard onderdeel uit van het proces van regelgeving. Daarbij wordt ook altijd rekening gehouden met de belangen van getroffen bedrijven of ontwikkelaars.

Omdat het overgangsrecht in de concept-normen soms verschilt per milieuaspect en er nog veel studie, analyse en discussie aan wordt gewijd, is op dit moment niet aan te geven, óf en welk overgangsrecht er precies in de concept-normen wordt voorgesteld.

Of er uiteindelijk overgangsrecht komt en hoe dat overgangsrecht eruitziet, is vervolgens een politieke afweging die op landelijk niveau gemaakt wordt. Daardoor is het nu niet mogelijk om precies aan te geven hoelang een eventueel overgangsrecht gaat gelden.

Bekijk de presentatie over het overgangsrecht, gegeven tijdens een kennissessie op 1 februari 2024.

Het Rijk (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) werkt aan nieuwe landelijke milieunormen voor windparken op land. Geluidsnormen zijn hier een onderdeel van. Daarnaast wordt ook gekeken naar eventuele afstandsnormen. Lees hier de uitleg over het verschil tussen geluidsnormen en afstandsnormen.

Op 12 oktober 2023 zijn de concept-Plan-MER en de concept-AMvB ('Besluit windturbines leefomgeving') voor de nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines ter inzage gelegd. Je leest hier meer over op deze pagina.

Naast 2x de tiphoogte zijn in het plan-MER ook 3x en 4x de tiphoogte onderzocht. Een afstand van viermaal de tiphoogte bij een referentieturbine van 2 MW (235 m) komt neer op een afstand van 940 m en bij een referentieturbine van 4 MW (tiphoogte 280 m) geldt dan een afstand van 1120 m. Eerder heeft Arcadis, in opdracht van het ministerie van EZK, onderzoek verricht naar afstandsnormen bij windturbines. Dit is op 21 april 2022 aan de Tweede Kamer gestuurd. Zie brief van de minister voor Klimaat en Energie, 21 april 2022, Kamerstukken II, 2023-2022, 33612, nr. 80.

Het hierboven genoemde rapport (Arcadis, 19 april 2022) laat zien dat de acht onderzochte Europese landen weinig overeenkomsten vertonen in de wijze waarop de afstands- en milieunormen voor windturbines zijn vormgegeven. De normen variëren van twee tot tien keer de tiphoogte en van 300 tot 1.100 meter (waarbij dit in Duitsland bovendien verschilt voor de diverse deelstaten).

In de conceptnormen is een windgevoelig object kort gezegd, gedefinieerd als: een gebouw met woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en kinderopvang, waarvan de laatste twee met bed voorzieningen. Zie artikel 5.162a van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving voor de exacte bepaling van een windturbinegevoelig gebouw (zie de documenten op Platform Participatie).

Hierop is nog geen definitief antwoord. NP RES is aanvullende data aan het verzamelen om dit te kunnen analyseren. Het streven is om binnen de ter inzagelegging termijn het effect in beeld te krijgen.

De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 juli 2025. Afhankelijk van o.a. het aantal zienswijzen, behandeling door de Raad van State en de Tweede Kamer kan dit proces eventueel eerder, of later, worden afgerond.

 

Het is niet nodig te wachten met het maken van plannen voor windprojecten. De onderzoeken en procedures voor een windproject duren lang en het is belangrijk zoekgebieden en/of concrete locaties tot stand te brengen in gesprek met alle belanghebbenden. Het is nog steeds mogelijk om eigen regels op te stellen voor windturbineparken op basis van een eigen plan-m.e.r. De concept-normen kunnen daarbij als leidraad worden gebruikt. Ook als de lokaal opgestelde normen buiten de bandbreedte van de conceptnormen vallen, blijven ze geldig, als ze zijn vastgesteld / vergund voordat de nieuwe landelijke normen in werking treden.

Het RIVM doet onderzoek naar de risico’s in de leefomgeving voor mens en milieu, waaronder risico’s van windturbines. Daarbij wordt gekeken naar hinder- en gezondheidsrisico’s. In het verlengde daarvan onderzoekt het RIVM ook de manier waarop mensen risico’s vanuit hun leefomgeving ervaren en de relatie met bijvoorbeeld leefstijl of gedachtengoed. Via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid houden het RIVM en de GGD’en de (internationale) kennis over windenergie en gezondheid bij en zorgen ze dat deze kennis in de praktijk gebruikt kan worden.

Windmolens op land produceren op een schone manier energie, maar veroorzaken ook hinder, zoals geluid en slagschaduw. Mede hierom leven er zorgen over de mogelijke gezondheidseffecten van (het wonen nabij) windturbines. Daarom en omdat de onderzoeksmogelijkheden toenemen, is het van belang de al bestaande kennis met betrekking tot windturbines en gezondheidsrisico’s continu te actualiseren en waar nodig aan te vullen.

Vanwege de toenemende zorgen in de samenleving over mogelijke gezondheidseffecten van windturbines, hebben de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Infrastructuur & Waterstaat (IenW) het RIVM verzocht om een verkenning te doen naar de mogelijkheden voor gezondheidsonderzoek rond windturbines. Het RIVM heeft in kaart gebracht (1) welke onderzoeksvragen er leven bij de verschillende belanghebbenden (vertegenwoordigers van burgers, landelijke- en regionale overheden, brancheverenigingen); en (2) hoe je deze vragen zou kunnen beantwoorden met onderzoek. 

Op basis van de verkenning van opties voor gezondheidsonderzoek (RIVM, 2022) hebben de ministeries van EZK, VWS en IenW gekozen voor twee onderzoeken:

(1) een blootstelling-responsrelatie-onderzoek, uitgevoerd door het RIVM en

(2) een historisch cohortonderzoek, uitgevoerd door Nivel

Zie de vragen & antwoorden hieronder voor een uitleg van beide onderzoeken.

Het RIVM is in januari 2024 in opdracht van de ministeries van EZK en IenW gestart met een zogeheten blootstelling-responsrelatie-onderzoek (BR), gericht op de Nederlandse situatie. In dit blootstelling-responsrelatie-onderzoek worden geluidniveaus van windturbines (de ‘blootstelling’) gekoppeld aan de mate van hinder en slaapverstoring (de ‘respons’) bij omwonenden. Een BR-relatie-onderzoek kan behulpzaam zijn bij het schatten van de omvang van de hinder rondom te vervangen of nieuw te plaatsten windturbines. De resultaten worden in 2027 verwacht.

In opdracht van het ministerie van VWS heeft Nivel een historisch cohortonderzoek uitgevoerd. Dit is een onderzoek op basis van bestaande gezondheidsregistraties van omwonenden nabij windturbines. Dat wil zeggen informatie over een bepaalde periode in het recente verleden. Deze huisartsgegevens zijn met elkaar vergeleken, om zo in kaart te brengen of er gezondheidsklachten zijn die vaker voorkomen in de buurt van windturbines en als die turbines draaien.

De conclusie van het rapport is dat in de periode 2012 tot en met 2021 de huisarts niet vaker acute of chronische gezondheidsproblemen vaststelde bij mensen die nabij windturbines wonen dan bij mensen die verderop wonen. Wel beveelt Nivel aan om het mogelijke verband met gezondheidsproblemen te blijven monitoren. 

Je vindt het rapport hier (Nivel).

Er is geen reden om te wachten met de ontwikkeling van windprojecten. Er is al veel goede en relevante kennis voorhanden, die een uitstekende onderbouwing biedt voor het opstellen van normen. De gezondheidsonderzoeken van Nivel en het RIVM dragen bij aan het actualiseren, en waar nodig aanvullen, van de bestaande kennis met betrekking tot windturbines en gezondheidsrisico’s. Deze kennis wordt via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek.

Ook juridisch gezien kunnen windprojecten verder worden ontwikkeld: De Raad van State heeft in een recente uitspraak over lokaal opgestelde normen benadrukt dat er kan worden gewerkt met de bestaande wetenschappelijke informatie.

Nee, het Rijk wacht voor het opstellen van nieuw landelijke richtlijnen niet op de uitkomsten van nu lopend gezondheidsonderzoek. Het Rijk gebruikt voor het opstellen van de nieuwe landelijke normen de veelheid aan wetenschappelijke kennis, die al beschikbaar is. 

Ook lokale overheden kunnen zich bij het vaststellen van normen op bestaande wetenschappelijke kennis baseren. Volgens de uitspraak van de Raad van State (Nevele-arrest) kunnen decentrale overheden per windpark eigen milieuvoorschriften in de vergunning opnemen. Bij circa 20 windprojecten die nu (status: zomer 2023) in ontwikkeling zijn, wordt gewerkt met lokale normen, waarbij deze overheden zich onder andere baseren op de huidige wetenschappelijke kennis over windenergie en gezondheid. De Raad van State heeft in een recente uitspraak over lokaal opgestelde normen benadrukt dat er kan worden gewerkt met de bestaande wetenschappelijke informatie.

Bisfenol A (BPA) is een chemische stof die in veel producten voorkomt. BPA wordt gebruikt in plastics die worden toegepast in bijvoorbeeld bouwmaterialen, elektronica, plastic flessen, (voedsel)verpakkingsmateriaal en speelgoed. Daarnaast wordt BPA onder meer gebruikt als basis voor epoxy-verven en -lijmen. Bij windmolens kan BPA in kleine hoeveelheden in epoxy zitten, dat gebruikt wordt als hars voor de bladen van de turbines en een basis kan zijn voor de beschermende coatings.

Of en hoeveel BPA vrijkomt in het milieu door windturbines op land hangt sterk af van de gebruikte coatings. Voor windturbines wordt ook veel gebruikgemaakt van coatings van polyurethaan, waar geen BPA in zit. Als er BPA wordt aangetroffen in de omgeving van een windturbine, dan kan dat ook op een andere manier in het milieu terechtgekomen zijn. BPA wordt in veel producten gebruikt, zoals in het antwoord hierboven toegelicht.

Omdat het nog onbekend is of, en hoeveel, BPA er door windturbines op land in het milieu terechtkomt, is het niet mogelijk om een uitspraak over de gezondheidsrisico’s te doen specifiek voor windturbines op land en BPA. De kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater wordt in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Tot op heden zijn er volgens het RIVM in ieder geval geen aanwijzingen dat BPA een bedreiging is voor de kwaliteit van drink-, oppervlakte- en grondwater. Mocht BPA in het milieu terechtkomen, dan is naar verwachting van de GGD de blootstelling klein omdat we niet direct in aanraking komen met slijtageproducten van windturbines. Andere producten zoals bouwmaterialen, speelgoed en plastic flessen dragen meer bij aan de blootstelling van de mens.

De conclusies van het rapport “Beoordeling mogelijke risico's van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee” zijn niet toepasbaar voor windturbines op land. Dit komt omdat de berekeningen wat betreft het vrijkomen van BPA van toepassing zijn op de zogenoemde monopile, het deel dat onder water staat. Dat onderdeel wordt niet gebruikt bij windturbines op land. Bovendien zijn de omstandigheden van windturbines op zee heel anders dan die op land. Zo staan onderdelen permanent onder water en is bijvoorbeeld de wind een stuk harder.

Voor windturbines op land is er nog geen risicobeoordeling uitgevoerd zoals die voor windturbines op zee (vraag hierboven), maar is er wel een aparte quickscan uitgevoerd. Het betreft een verkennend onderzoek waarbij de gebruikte materialen, mogelijke emissies, een eerste inschatting van mogelijke risico’s en aanleidingen voor vervolgonderzoek in kaart zijn gebracht. Momenteel is het ministerie van EZK in gesprek met het ministerie van IenW (vanwege haar verantwoordelijkheid voor de geldende milieuregelgeving) over de vervolgstappen naar aanleiding van de uitkomsten van dit verkennende onderzoek. De vervolgstappen hangen onder andere af van een brede verkenning naar het veilig gebruik van chemische stoffen in de energietransitie.

 

Vanuit het perspectief van volksgezondheid doen we er goed aan om de energietransitie zo snel mogelijk verder te brengen. Bij het gebruik van fossiele brandstoffen komen namelijk veel vervuilende stoffen vrij. De overgang naar hernieuwbare bronnen, zoals windenergie, is beter voor de gezondheid en veiligheid in Nederland.

Afgelopen jaren zijn er meerdere studies (1) uitgevoerd, onder meer door het RIVM en het Analistennetwerk Nationale Veiligheid, naar de veiligheids- en gezondheidsrisico's die samenhangen met fossiele en duurzame energie. Daaruit blijkt dat de transitie naar duurzame energie, zoals o.a. windenergie, een positief effect heeft op de gezondheid en veiligheid in Nederland. Deze constatering betekent echter niet dat we klaar zijn. Zo werkt het Rijk aan uitgangspunten voor het verantwoord omgaan met veiligheid en gezondheid in de energietransitie.’

(1) https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2019-0076.pdf

https://www.rivm.nl/sites/default/files/2019-10/Verkenning%20risicos%20energietransitie%202019.pdf

https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0143.pdf

https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2021-0054.pdf

Gemeenten kunnen terecht bij hun eigen GGD voor meer informatie. GGD’en beschikken over medisch milieukundige expertise en zij hebben kennis over de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. Ook kunnen de GGD’en contacten leggen met de experts van het RIVM indien nodig.

Cookie-instellingen
Cookie-instellingen sluiten

Cookie-instellingen

Deze website maakt gebruik van cookies. Lees meer over cookies in onze cookieverklaring.


Deze cookies verzamelen nooit persoonsgegevens en zijn noodzakelijk voor het functioneren van de website.

Deze cookies verzamelen gegevens zodat we inzicht krijgen in het gebruik en deze website verder kunnen verbeteren.

Deze cookies zijn van aanbieders van externe content op deze website. Denk aan film, marketing- en/of tracking cookies.