Vraag & antwoord

Omwonenden van (mogelijke) windlocaties hebben vragen en zorgen over de gevolgen voor bijvoorbeeld gezondheid en natuur. De Helpdesk Wind op Land zet hieronder de meest gestelde vragen en de antwoorden op een rij. 
Naast de antwoorden in deze Q&A vind je nog veel meer informatie op de verschillende themapagina’s.
Bekijk ook de Q&A over gezondheidsklachten en geluidhinder op de website van de GGD.

Heb je een andere vraag en vind je het antwoord niet bij het desbetreffende thema? Stel hem dan gerust via het contactformulier. 

 

 

 

Uit onderzoek van internationale wetenschappelijke literatuur door het RIVM blijkt dat geluid van windturbines gezondheidseffecten met zich mee kan brengen. Er is nog veel onduidelijk over die gezondheidseffecten. 

  • Er is een duidelijke relatie aangetoond tussen het geluidniveau van windturbines en hinder; hinder (door alle geluidbronnen) wordt beschouwd als een negatief gezondheidseffect. 
  • In algemene zin kan langdurige hinder op termijn leiden tot aandoeningen zoals hoge bloeddruk of hart- en vaatziekten of kan deze klachten verergeren. 
  • Uit studies specifiek voor windturbines is op dit moment onvoldoende bewijs gevonden voor een relatie tussen het geluid van windturbines en gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op de mentale gezondheid. 
  • Onvoldoende bewijs kan betekenen dat er geen relatie is, dat er nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan, dat het onderzoek van lage kwaliteit is of dat er tegenstrijdige resultaten zijn. 
  • Onderzoeken naar slaapverstoring door windturbines zijn niet eenduidig: ze laten verschillende resultaten zien. 
  • Persoonlijke en contextuele factoren hebben invloed op de hinder van windturbines. Zo kan het betrekken van omwonenden in het lokale besluitvormingsproces de ervaren hinder verminderen. 

(Bron: Factsheet gezondheidseffecten windturbinegeluid - juli 2026 (RIVM) 

Er is geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van geluid van windturbines op de gezondheid van kinderen. Wel weten we dat kinderen die ernstige geluidsoverlast hebben van vliegtuigen en verkeer, minder goed leren op school. Maar we weten niet of geluidsoverlast van windturbines hetzelfde effect kan hebben. 

Bron: GGD 

Omdat het aantal windturbineparken in Nederland de komende jaren zal toenemen, doet het RIVM onderzoek naar gezondheidseffecten specifiek voor de Nederlandse situatie. In een blootstelling-responsrelatie-onderzoek worden geluidniveaus van windturbines (de ‘blootstelling’) gekoppeld aan de mate van hinder en slaapverstoring (de ‘respons’) bij omwonenden. De resultaten hiervan worden in het eerste kwartaal van 2027 verwacht. 

Daarnaast monitort het Expertisecentrum Wind en Gezondheid continu de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, nationaal en internationaal. 

(Bron: RIVM) 

Er is veel wetenschappelijke kennis beschikbaar om besluiten op te baseren. Gemeenten, provincies en ontwikkelaars van windparken moeten ervoor zorgen dat windturbines op een zorgvuldige manier worden geplaatst. Ze moeten zich houden aan milieuregels, zoals geluidsnormen en normen voor slagschaduw, om te voorkomen dat mensen gezondheidsproblemen krijgen of te veel overlast ervaren.  

 

Ja, windturbines maken geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen, dus ook laagfrequent geluid (LFG). Het laagfrequente geluid van windturbines is ruisachtig of brommend. Het is vergelijkbaar met andere bronnen van geluid zoals verkeer. In het algemeen geldt dat voor LFG hinder en mogelijk slaapverstoring gevonden zijn als gezondheidseffecten. Maar er zijn geen aanwijzingen dat LFG andere effecten heeft op omwonenden dan gewoon geluid. LFG dempt wel minder uit dan geluid met hogere frequenties. Hierdoor kan over een grotere afstand vooral het laagfrequente deel van geluidsbronnen hoorbaar zijn. 

(Bron: Factsheet gezondheidseffecten windturbinegeluid - juli 2026 (RIVM) 

Afbeelding: Geluidsfrequenties die worden geproduceerd door windturbines. (Overgenomen uit Factsheet gezondheidseffecten van windturbinegeluid, RIVM) 

Ja, windturbines maken geluid over het hele spectrum van lage en hoge tonen. Het geluid van windturbines bevat ook infrasoon geluid of infrageluid. Infrageluid zijn trillingen met zo’n lage frequentie, lager dan 20 Herz, dat mensen ze niet kunnen horen. Infrageluid door windturbines is heel zwak. De GGD verwacht daarom niet dat dit zorgt voor overlast. 

(Bron: GGD) 

Tonaal geluid is geluid met een duidelijk hoorbaar tonaal karakter, dat wil zeggen dat het duidelijk hoorbare zuivere tonen bevat (hoog of laag). Het geluid geproduceerd door windturbines kan ook tonaal zijn, bijvoorbeeld vanwege een defect of verkeerd ontwerp. De meeste windturbines produceren geen tonaal geluid, maar de windturbines die wel tonaal geluid veroorzaken worden veelal als hinderlijker ervaren. In de landelijke concept-milieunormen is daarom een ‘straffactor’van 5dB opgenomen voor tonaal geluid. Dit betekent dat dit geluid wordt meegerekend als 5 dB luider dan in werkelijkheid, zodat dit zwaarder meeweegt in het geluidniveau en er beter op gehandhaafd kan worden. 

Sommige (huis)artsen hebben zorgen geuit over de mogelijke gezondheidsrisico's van wonen dicht bij windturbines, vooral door geluid. Dat doen ze vanuit de zorg voor hun patiënten, op basis van individuele verhalen in hun praktijk. Omdat de ondervonden geluidhinder van persoon tot persoon kan verschillen, is het lastig om iets te zeggen over de geluidhinder van een individu. Wel is het mogelijk om uitspraken te doen over de hinder die groepen mensen ondervinden van omgevingsgeluid (Bron: RIVM, geluidhinder). 

De overheid neemt de zorgen serieus en heeft het RIVM gevraagd om de kennis over windturbines en gezondheid up-to-date te houden. Daarom onderzoekt het RIVM nu de gezondheidseffecten specifiek voor de Nederlandse situatie. De resultaten hiervan worden in het eerste kwartaal van 2027 verwacht. 

Op verschillende websites over windenergie staat dat je van windturbines ziek kunt worden. De lage tonen en trillingen van windturbines zouden het windturbinesyndroom of de vibro-akoestische ziekte of veroorzaken. Dit klopt niet. Voor een goed beeld is het belangrijk om alle onderzoeken op een rij te zetten en ook te kijken naar de kwaliteit van de onderzoeken. Uit de onderzoeken van goede kwaliteit blijkt dat er geen bewijs is dat windturbines deze ziektes veroorzaken. 

(Bron: GGD) 

Elektromagnetische velden ontstaan wanneer elektrische ladingen bewegen. Windturbines kunnen, net als andere apparaten, elektromagnetische velden veroorzaken. De stroom die de turbine opwekt, gaat via kabels naar het hoogspanningsnet. Rond die kabels komen elektromagnetische velden voor. De GGD verwacht niet dat de elektromagnetische velden rond kabels bij windturbines risico’s voor de bewoners er omheen kunnen veroorzaken. De afstand tussen de kabels en woningen is zo groot dat dit veilig is.

(Bron: GGD) 

 

Lden betekent een jaargemiddeld geluidsniveau gebaseerd op de gemiddelden per dag, avond en nacht. ‘s Avonds (19-23 uur) geldt er een ‘straffactor’ van +5 dB en ‘s nachts (23-7 uur) van +10 dB. Er is gekozen voor deze weging om recht te doen aan de omstandigheden. ’s Avonds en ’s nachts zijn mensen vaker in rust, is het omgevingsgeluid minder, maar waait het vaak harder. Daarom wegen de avond- en de nachtperiode zwaarder mee dan de dagperiode. Lnight is het jaargemiddelde geluidsniveau van de nacht. Deze Lden en Lnight worden uitgedrukt in decibel (dB).   

Voor de meeste windparken die al draaien of die nu worden gebouwd geldt een norm van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. De Lnight is strenger om slaapverstoring te voorkomen. Deze twee normen gaan over de maximale hoeveelheid geluid die gemiddeld over een jaar buiten op de gevel van 'geluidsgevoelige objecten' mag worden gemeten. Geluidsgevoelige objecten zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.  

Er wordt landelijk gewerkt aan nieuwe geluidsnormen, die waarschijnlijk strenger zullen zijn (standaardwaarde 45 db Lden en 39 dB Lnight). Dat is conform het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor geluid door windturbines.  

 

Nee, voor bestaande windparken en voor windparken waar de vergunning al is verleend maar die nog in ontwikkeling zijn, blijven de normen gelden die golden tijdens het verlenen van de vergunning. Dat is meestal 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Voor een aantal bestaande windparken of windparken in ontwikkeling gelden al strengere geluidsnormen, die zijn dan door de lokale overheid vastgesteld. 

Als een windpark aan het einde van de levensduur is en de turbines worden vervangen, dan gelden voor de eventuele nieuwe turbines de normen van dat moment.   

Grotere windturbines met meer vermogen maken niet noodzakelijkerwijs meer geluid. Er zijn kleinere windturbines met minder vermogen die juist meer geluid maken dan grotere windturbines met groter vermogen. De geluidproductie wordt vooral bepaald door het type windturbine. Dankzij betere techniek en aerodynamische wieken klinken moderne turbines vaak doffer en minder scherp. 

(Bron: Factsheet gezondheidseffecten windturbinegeluid - juli 2026 (RIVM) 

 

Een norm voor een maximaal geluid is alleen zinvol voor piekgeluiden, zoals het storten van staal in een container of een ontploffing. Windturbines produceren echter geen plotselinge of scherpe geluiden, het geluid is vrij constant. Om omwonenden van windturbines (en ook van andere geluidsbronnen die geen pieken voortbrengen) het best te beschermen, is gekozen voor de methode van jaargemiddelden, met extra eisen (‘straffactor’) voor avond en nacht. Het verschil tussen het jaargemiddelde geluidsniveau en het maximale geluid dat een windturbine (technisch gezien) kan maken is enkele decibellen. Dit verschil is voor verreweg de meeste mensen maar net hoorbaar.    

De ontwikkelaar is wettelijk verplicht om voorafgaand aan de bouw van windturbines aan te tonen dat woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet worden blootgesteld aan meer geluid dan toegestaan in de huidige normen.  Handhaving van de wettelijke geluidsnormen gebeurt in 3 stappen: 

1. Het bevoegd gezag (meestal de gemeente of provincie) kan de emissieterm (LE) opvragen. Dat is het jaargemiddelde geluidsvermogen bij de bron van de windturbine. De eigenaar van de windturbine is verplicht de LE gedurende het afgelopen kalenderjaar te registreren. Ieder kalenderjaar moet voldaan worden aan de geluidsnormen. Door de rotatiesnelheid van de bladen te verminderen (‘noise mode’), kan de geluidsproductie worden gereduceerd. 

2. Het bevoegd gezag kan een controlemeting laten uitvoeren waarbij de daadwerkelijke geluidemissie wordt bepaald bij verschillende windsnelheden. Als blijkt dat deze gemeten of berekende emissie (LE) afwijkt van de waarden die zijn gebruikt in het prognoseonderzoek, is er wellicht een mankement aan de turbine. Wanneer bijvoorbeeld de turbinebladen een kleine beschadiging hebben kan het geluidniveau al snel enkele dB’s hoger liggen. Ook kan er een verkeerde software-instelling (toerental en/of bladhoek) zijn. 

3. Na herstel volgt een nieuwe meting. 

(Bron: RVO) 

In de praktijk controleert de omgevingsdienst ook gedurende het jaar als daar aanleiding toe is (bijvoorbeeld op basis van klachten van omwonenden) of op basis van beleid voor structurele metingen (bijvoorbeeld elke maand).  

Bewoners kunnen geluidsoverlast altijd melden bij de gemeente. Ook bieden verschillende windparken omwonenden de mogelijkheid overlast te melden, bijvoorbeeld via een telefoonnummer, app of formulier op de website. Voorbeelden zijn:   

Door het draaien van de wieken treedt slijtage op. Daarbij kunnen kleine hoeveelheden stoffen zoals bisfenol A en microplastics vrijkomen. Deze emissies uit windturbines zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissies uit andere bronnen zoals verkeer, industrie, landbouw, bouwmaterialen, elektronica, plastic flessen, (voedsel)verpakkingsmateriaal en speelgoed. 

Lees verder 

Dat is nog niet bekend. De beoogde ingangsdatum 1 januari 2027 wordt niet gehaald. 

De laatste informatie delen we op deze pagina.

Er wordt op dit moment gewerkt aan nieuwe milieunormen voor windturbines, waaronder een afstandsnorm. In de tussentijd kunnen gemeenten en provincies lokaal eigen normen opstellen. Deze lokale normen moeten goed gemotiveerd zijn. Daarbij kan worden gewerkt met bestaande wetenschappelijke informatie. Daarnaast moeten ze passend zijn bij de situatie ter plekke en voldoende bescherming bieden voor omwonenden. Voor lokale normen worden vaak de concept-landelijke normen gebruikt, die strenger zijn dan de eerdere normen. 

 

Ja, bestaande windturbines mogen blijven draaien. Vergunningen waar niet meer tegen in bezwaar of beroep kan worden gegaan, blijven gewoon geldig. 

In sommige landen zijn de afstandsnormen groter dan twee keer de tiphoogte, in sommige landen is de geëiste afstand kleiner en andere landen hebben geen afstandsnormen. In Polen is de norm de afgelopen jaren bijgesteld van 10 keer de tiphoogte (2016), via 700 meter (2023) naar 500 meter (2025). In Duitsland gold alleen in Beieren een norm van 10 keer tiphoogte, maar dit beleid is inmiddels aangepast. Veel andere landen hanteren normen tussen 300 en 1.100 meter of vermenigvuldigen de tiphoogte met 2 tot 4. Deze normen richten zich vaak op het beperken van de visuele impact, niet op bescherming voor de gezondheid of geluid. 

Ja, aanvaringen komen voor. Het aantal botsingen tussen vogels en windturbines valt mee, als je dit vergelijkt met bijvoorbeeld de gevolgen van het verkeer. Volgens schattingen sterven er door Nederlandse windturbines zo’n 50.000 vogels per jaar. In het verkeer sterven er jaarlijks 2 miljoen vogels. Door katten sterven ongeveer 18 miljoen vogels per jaar.

(Bron: RVO) 

Het is belangrijk om aanvaringsslachtoffers te beperken, omdat kwetsbare populaties geraakt kunnen worden. Bijvoorbeeld door cameradetectie en een stilstandsvoorziening waarmee turbines tijdelijk worden stilgezet.  

Zowel Vogelbescherming Nederland als Zodion (Zoogdiervereniging) zijn voor windenergie, maar onder voorwaarden. Ze zien de energietransitie als noodzakelijk in de aanpak van klimaatverandering, maar willen wel dat negatieve effecten op vogels, vleermuizen en andere kwetsbare soorten worden geminimaliseerd. 

Een kleine molen van 15 KW (21 meter tiphoogte) levert zo'n 36,5 MWh/jaar en een grote van 5,6 MW (200-250 meter tiphoogte) zo'n 18.000 MWh/jaar. Voor dezelfde opbrengst van één grote windturbine zou je dan meer dan 500 kleine molens nodig hebben. 

Kleine windmolens zijn mogelijk wel een optie voor kleinschalige oplossingen, bijvoorbeeld op een boerenerf om eigen stroom op te wekken. Kleine windmolens zijn echter geen realistisch alternatief voor grote windturbines, omdat de hoeveelheid opgewekte elektriciteit van deze molens zeer beperkt is. 

 

Een windproject kan helpen de ruimte op het net beter te verdelen. Uiteraard moeten altijd de lokale omstandigheden goed meegerekend worden. Maar windturbines hebben een complementair profiel ten opzichte van zonopwek, waardoor vaak nog ruimte is voor transport op het elektriciteitsnetwerk. Door windturbines strategisch te plaatsen, bijvoorbeeld nabij bedrijventerreinen, kan vraag en aanbod van energie nog effectiever op elkaar worden afgestemd. Dit biedt ook kansen voor de ontwikkeling van lokale (semi-autonome) energiesystemen en energiehubs.

Lees verder over slimme oplossingen bij netcongestie (NP RES) 

 

De meeste windturbines komen op zee, maar wind op land is ook nodig: de ruimte op zee is eindig vanwege andere functies (zoals scheepvaart, visserij, defensie en natuur). Ook zorgt opwek op land dat vraag en aanbod dicht bij elkaar kunnen komen. Dat is wenselijk: enerzijds vanuit kostenoogpunt (minder netuitbreiding nodig - en dus ook minder kabels en hoogspanningsmasten) anderzijds helpt het om netcongestie te verminderen. Door windturbines strategisch te plaatsen, bijvoorbeeld nabij bedrijventerreinen, kan vraag en aanbod van energie nog effectiever op elkaar worden afgestemd. Dit biedt ook kansen voor de ontwikkeling van lokale energiesystemen en energiehubs. De mix van zon en wind is ook belangrijk voor een stabiele levering, omdat wind en zon op een ander moment stroom leveren. 

Er wordt ook wel ingezet op andere technieken in de toekomst, maar veel technieken laten nog een tijdje op zich wachten. Zie ook het Nationaal plan energiesysteem (NPE) 

Waarom ook wind op land nodig is, is ook te lezen in dit weblog van het ministerie van EZK

Het Nationaal plan energiesysteem (NPE) is de nationale toekomstvisie voor het energiesysteem in 2050. Het beschrijft hoe Nederland een energiesysteem ontwikkelt dat past bij een klimaatneutrale samenleving. Net als windenergie maakt kernenergie deel uit van de energiemix in het NPE. Kleine modulaire kernreactoren (SMR’s) zijn een interessante technologie die wereldwijd in ontwikkeling is. Realistisch gezien kan een eerste SMR in Nederland pas eind jaren 2030 operationeel zijn. Soms wordt beweerd dat zulke reactoren in Nederland al in 2035 klaar zullen staan. Dat klopt niet. Voor vergunningverlening en bouw van een SMR wordt gerekend op minimaal zeven jaar, mits de SMR gebaseerd is op een bestaande techniek. En het gaat om een ontwerp dat al ergens ter wereld eens is gebouwd. Aangezien de eerste ontwerpen pas rond 2030 zullen zijn gebouwd, lijkt op basis hiervan realisatie van SMR’s tegen 2040 in Nederland mogelijk.   

 

Waterstof is geen directe energiebron, maar moet eerst worden gemaakt. Het is een gas dat ontstaat door water te splitsen in waterstof en zuurstof met behulp van elektriciteit (elektrolyse), bijvoorbeeld elektriciteit die opgewekt is door windturbines. Dit proces kost veel elektriciteit. Het is vaak efficiënter om die energie direct als elektriciteit te gebruiken in plaats van om te zetten naar waterstof. Daarnaast is het maken, opslaan en vervoeren van waterstof nog erg duur. De waterstof die wordt geproduceerd zal vooral gebruikt worden in de zware industrie en transport omdat die lastiger zijn te elektrificeren. Voor huishoudens zal waterstof voorlopig niet op grote schaal worden ingezet. 

Zie ook de Factsheet Elektriciteit van NP RES (pagina 22) en Waterstof, waar staan we (HIER). 

 

Het Planbureau voor de Leefomgeving analyseert elk jaar hoever de regio’s zijn met het halen van het gezamenlijke doel. PBL gaf eind 2025 aan dat 35 TWh opwek nog niet gerealiseerd is, maar waarschijnlijk wel wordt gehaald in 2030. Het streefdoel van 55 TWh in 2030 wordt niet behaald. (Bron: monitor RES 2025) 

Het Nationaal plan energiesysteem (NPE) is de nationale toekomstvisie voor het energiesysteem in 2050. Volgens het NPE is het essentieel om ook na 2030 alle duurzame energiebronnen te benutten, waaronder wind op land. Want voor woningbouw, bedrijvigheid en vervoer is méér duurzame energie nodig. Daarom is de 35 TWh in 2030 geen einddoel maar moeten we ook daarna kijken of en hoe wind en zon op land kan bijdragen aan de doelen uit het NPE.

Windenergie is een van de meest kostenefficiënte vormen van energieopwekking, de kosten per kWh zijn laag. Windturbines krijgen tegenwoordig nog maar beperkt subsidie. Het grootste deel van hun inkomsten komt uit de verkoop van elektriciteit, niet uit overheidssteun. Windenergie op land kan zonder subsidie rendabel zijn, maar investeringen worden vaak ondersteund door de SDE++ regeling. Via de SDE++ regeling ontvangen producenten gedurende de looptijd van een project alleen subsidie als de marktopbrengsten te laag zijn om de kostprijs te dekken. Als de opbrengsten hoger zijn dan de kosten, krijgen ze geen subsidie.  

De lokale omgeving kan allereerst financieel profiteren van windprojecten. Dit kan via financiële deelname, zoals aandelen in het project, een omgevingsfonds of een regeling voor omwonenden. Ook is lokaal eigendom mogelijk. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we ernaar streven dat windmolens voor 50% in handen van inwoners en lokale bedrijven komen. Zo kunnen projectontwikkelaars, inwoners en lokale bedrijven gelijkwaardig samenwerken aan de ontwikkeling, bouw en exploitatie van de windmolens. 

Daarnaast kan windenergie lokale ontwikkelingen mogelijk maken, door energie lokaal op te wekken en te gebruiken. Bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van nieuwe of uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen, en ook woonwijken. 

Lees verder over lokaal eigendom 

 

Windturbines wekken duurzame stroom op. De lucht wordt er niet door vervuild en er worden geen fossiele grondstoffen gebruikt. Alleen bij het bouwen, onderhouden en afbreken van de turbine komt CO2 vrij. 

  • Na zo’n 6 maanden draaien heeft een turbine die hoeveelheid CO2-uitstoot al bespaard ten opzichte van stroom uit een gascentrale. 
  • Na 1 jaar heeft een windturbine evenveel energie geproduceerd als de hoeveelheid energie die nodig was voor de productie. Een windturbine gaat zo’n 20 tot 30 jaar mee.  

(Bron: Milieu Centraal) 

Al ruim 90 procent van een windturbine kan gerecycled worden. Het grootste deel van de turbine is gemaakt van staal, dat goed te recyclen is. Ook andere basismetalen, waaronder koper en aluminium, kunnen goed worden gerecycled. Voor de laatste 5 tot 10 procent van het gewicht van de turbine, namelijk de wieken en andere metalen, wordt hard gewerkt aan recyclingtechnologieën. 

Windturbines kunnen om verschillende redenen stil staan.

  • Bescherming van vogels en vleermuizen. Sommige windparken hebben automatische stilstandsvoorzieningen die turbines stilzetten als er grote (zwermen) vogels of vleermuizen worden waargenomen. Op sommige locaties worden turbines stilgezet in het broedseizoen.
  • Milieunormen. Turbines kunnen stilgezet worden om te voldoen aan bepaalde milieunormen, bijvoorbeeld om slagschaduw of geluidsoverlast voor omwonenden te beperken.
  • Onderhoud. Windturbines worden soms stilgezet voor onderhoudswerkzaamheden of inspectie. Dit wordt vaak gedaan als het niet zo hard waait.
  • Extreme windsituaties. Bij zeer lage windsnelheden wekken windturbines onvoldoende energie op en worden ze stilgezet. Ook bij extreem harde wind worden turbines uitgeschakeld om schade aan de apparatuur te voorkomen.
  • IJsvorming in koude wintermaanden. Het ijs kan bij draaiende wieken losbreken en een risico vormen voor de omgeving. Door een detectiesysteem op de molen kan ijsvorming worden vastgesteld en de molen automatisch worden stilgezet.
  • Overbelasting van het elektriciteitsnet. Als het elektriciteitsnet de opgewekte energie niet kan verwerken omdat er op dat moment meer energie wordt opgewekt dan verbruikt, worden sommige windturbines tijdelijk stilgezet.
  • Negatieve stroomprijzen. Een groeiende oorzaak van stilstand is stilstand door negatieve stroomprijzen. De prijs van stroom komt tot stand door vraag en aanbod. Is er meer aanbod dan vraag naar stroom, dan kan de prijs tijdelijk nul of zelfs negatief worden. Dit komt bijvoorbeeld voor op winderige dagen met veel zon.  Als de stroomprijs negatief is moet een windpark geld betalen om stroom aan het net te leveren. Vaak is het dan economisch verstandiger om de windturbines stil te zetten totdat de stroomprijs weer positief is. 

 

Cookie-instellingen